Fokbeleid

Mijn fokbeleid is gericht op gezondheid, karakter, goed rastype en inteeltbeperking.

GEZONDHEID:
Mijn fokhonden worden getest op de volgende onderdelen:
Heuponderzoek (officiële HD-foto's)
Ogen: ECVO
DNA via het uitgebreide programma van MyDogDNA incl. prcdPRA en D-locus
Uiteraard worden (klinisch) lijders van een ziekte uitgesloten van het fokprogramma.
KARAKTER:
Er wordt gekeken naar stabiliteit, werklust, baasgerichtheid, sociaal gedrag en apporteerdrang. Honden die niet-sociaal gedrag vertonen of angstig zijn worden uitgesloten van de fok. De mate waarin ze voldoen aan de andere onderdelen wordt beschreven bij het karakterprofiel. Speciale voorkeur hebben honden met een dusdanig stabiel karakter dat ze geschikt zijn als therapie- of assistentiehond.

RASTYPISCHE KENMERKEN:
Fokhonden moeten voldoen aan de rasstandaard. Er wordt o.a. gekeken naar verhoudingen in lichaam en hoofd, vachtstructuur, gebit, botstructuur, maat, staartaanzet en het algehele beeld van de hond.

INTEELTBEPERKING:
Ik ga uit van de richtlijn van minder dan ca. 5% over 5 generaties. Daarnaast wordt bekeken wat de genetische verwantschap tussen partners is. Dit wijkt soms af van de verwachting die je op basis van een rekenkundig inteeltpercentage hebt (een pup krijgt immers de genen van vader én moeder en dus soms wat meer van de een of wat meer van de ander, waardoor pups uit eenzelfde nest er behoorlijk verschillend uit kunnen zien en dus ook genetisch behoorlijk verschillen).

 

UITLEG GENETISCH ONDERZOEK EN DE NOODZAAK VAN HET NUANCEREN VAN UITSLAGEN:
Een hond heeft ca. 19.200 genen. Idealiter zou je al deze genen in kaart willen hebben, maar de realiteit is dat we er slechts enkele honderden kennen. Keuzes maken puur op basis van DNA is dus helaas niet mogelijk. De meeste ziektes zijn immers nog niet te herleiden, laat staan te voorkomen met DNA-onderzoek. Voor de toekomst is het uiteraard van groot belang wel DNA-onderzoek te doen, want behalve dat er altijd iets nieuws kan worden ontdekt, is het ook van belang voor toekomstig onderzoek. Honden die een klinische diagnose hebben van een ongewenste aandoening worden dus ALTIJD uitgesloten van de fok.

Soms worden genen die bij een ras een ziekte veroorzaken wel gezien bij dat ras, maar veroorzaken ze niet die ziekte bij een ander ras. Een voorbeeld bij de barbet is Von Willebrand Disease type II. Helaas zijn heel wat honden gecastreerd op basis van de uitslag dat ze drager waren bij de start van uitgebreid DNA-onderzoek, terwijl later bleek dat dit gen geen betekenis heeft bij de barbet. Zo ontzettend jammer van die uitstekende barbets die een belangrijke bijdrage aan de genetische diversiteit van het ras hadden kunnen leveren.
Sinds enkele jaren is er een wereldwijde discussie gaande over het ontdekken van het prcdPRA-gen bij de barbet. Er is op basis van slechts 2 gevallen, waarvan er bovendien 1 onbekend is, een validatie gegeven door het betreffende DNA-instituut (geval van 'de slager keurt zijn eigen vlees...'?). PRA bestaat in tientallen vormen. Aangezien de klinische diagnose van de verschillende vormen van PRA niet te onderscheiden is, is dit zeer dubieus, want betreft het inderdaad prcdPRA, of is het wellicht een andere vorm van PRA? PRA uit zich doorgaans pas op latere leeftijd, dus dat maakt het complex. Het is daarom van belang fokhonden op latere leeftijd nogmaals te testen, ondanks dat ze geen pups meer krijgen. Alleen als we meerdere klinische gevallen hebben gevonden kunnen we de conclusie trekken dat de DNA-test werkelijk valide is en pas dan is een op uitsluiten gericht fokbeleid om de ziekte langzaam uit te bannen of en verdere verspreiding onder controle te houden aan de orde. Immers, als je teveel honden uitsluit, krijg je meer inteelt en zullen ziekte veroorzakende mutaties binnen de overige 18.800 genen meer kans hebben zich te manifesteren. Daarom zouden fokkers niet per definitie honden uit de weg moeten gaan die het gen dragen, omdat het door DNA-onderzoek mogelijk is om ten alle tijden veilig te fokken. Door altijd een vrije partner te kiezen worden uitsluitend pups gefokt die de ziekte niet kunnen krijgen, maar wel drager kunnen zijn. Het is vanzelfsprekend van belang om te zorgen dat een grote meerderheid van de geboren honden vrij is. Zo wordt het percentage vrije honden vergroot, terwijl er geen kostbare genetische diversiteit verloren gaat.

Laten we hopen dat er snel meer ongewenste mutaties zichtbaar gaan worden zodat we steeds meer ziektes kunnen voorkomen!